Het grote bardienstprobleem: Waar laat ik mijn handen?

Bardienst op het Eendagstoernooi van 13 juli, mijn vuurdoop. Gelukkig stond ik er niet alleen voor. Fay was er, en Senna, allebei gepokt en gemazeld in horecawerk. En mijn tennismaatje Arjan, die er al twee bardiensten op had zitten. Hij is er een die overal werk ziet, hij begon zelfs met een doekje en spiritus de glasplaat schoon te maken waarop de bestellingen worden neergezet. Zaten inderdaad vlekken op van gemorst bier.
Ik weet nu waar de vegakroketten liggen, de bakjes voor de sausen, de muntblaadjes, de gemberplakjes, de Jopen 0.3, de stoffer met blik (iemand liet een glas bier vallen), de tosti’s bruin en wit, ik kan nog wel even doorgaan. Ik kan nu overweg met de afwasmachine, de airfryer, de magnetron, het tosti-ijzer, de koffieautomaat, het kassasysteem, de frituur, allemaal dingen waarvan ik tot dan toe alleen gehoord had. Ik ben dankzij mijn bardienst een universeel mens.
Toch waren er ook momenten dat er even niets te doen was. En dan duikt er een probleem op dat iedereen die in de horeca werkt kent: waar laat ik mijn handen? Dat vergt weer andere kwaliteiten dan overal werk zien. Je moet je handen zo houden dat je niet uitstraalt of je wel wat anders te doen hebt dan een bestelling aannemen. Je moet toeschietelijk overkomen, bedrijvig, doortastend. Ik geef het je te doen. Zelfs de man die overal werk ziet, wist soms niet waar hij ze moest laten.
Hans Aarsman






